Grondig onderzoek voor een weerbare bodem



Weerbare_bodem

Dat de bodem de basis vormt voor de voedselproductie en daarmee een essentiële rol speelt bij de ontwikkeling naar een toekomstig bestendige landbouw is momenteel een breed gedragen inzicht. Ook in de Noordelijke provincies is het urgent om te investeren in (onderzoek naar) het behoud en de verbetering van bodemkwaliteit. Met de uitdaging van onder andere verminderd gebruik van chemie en kunstmest is een gezonde en weerbare bodem essentieel voor het behoud van economisch rendabele en duurzame akkerbouw. Dit geldt zowel voor de akkerbouwers op de noordelijke klei met hoogwaardige pootgoedteelt als voor akkerbouwers in de veenkoloniën met zetmeelaardappel als economisch belangrijk gewas.

Projectteam:

Anja Kombrink: Onderzoeker, HLB
Hilde Coolman: Onderzoeker, HLB
Eline Keuning: Consultant biotechnologie en innovatie, Bioclear earth
Andries Hoogterp: teler, Mts. Hoogterp
The Potato Valley

Beschrijving:

Bodemkwaliteit kan worden benaderd vanuit fysisch, chemisch en biologisch perspectief. Het biologische perspectief blijft in onderzoek en praktijkanalyses vaak onderbelicht en meestal beperkt tot het kwantificeren van macrofauna (wormen, mijten) in een profielkuil op het perceel. De aantallen en de samenstelling van (goede) bacteriën, schimmels en nematoden in de bodem en de relatie tot bodemgesteldheid wordt tot nu toe in de praktijk niet meegenomen in bodemanalyses. Toch is het bekend dat een evenwichtig bodemleven een belangrijke rol speelt in de beschikbaarheid van nutriënten en de onderdrukking van bodemziektes, waarbij in een verstoorde bodem plantparasitaire ziektes en plagen meer kans krijgen en meer gewasschade kunnen veroorzaken. Wanneer we kijken naar bacteriën, schimmels en nematoden dan is de diversiteit van dit bodemleven en de variatie die optreedt, afhankelijk van de grondsoort en bijvoorbeeld het moment van monstername, belangrijke factoren die het betrouwbaar meten en het interpreteren van resultaten bemoeilijken. Daarmee is ook het koppelen van advisering op het gebied van bouwplan of andere teeltmaatregelen aan biologische bodemparameters op dit moment niet goed mogelijk.

In dit project ligt de innovatie in het samenbrengen van data voor fysische, chemische en biologische parameters. Wat betreft de biologische samenstelling van de bodem wordt de focus gelegd op het analyseren van de relatie tussen de aan- of afwezigheid van bodemziektes en de samenstelling van de goede bodemorganismen. Op basis hiervan wordt gewerkt aan indicatoren om de ziekteweerbaarheid van de bodem te kunnen voorspellen en in de tijd te kunnen volgen. Het is belangrijk de fysische en chemische conditie van de bodem tegelijkertijd te meten: de fysische eigenschappen bepalen de classificatie van de grondsoort (van klei tot zand) die gepaard gaat met verschillende eigenschappen en daarmee verschillende streefwaardes op het gebied van chemie en biologie. De biologische focus op het geven van inzicht in de mate van bodemweerbaarheid tegen bodemziektes gaat in dit project dus hand in hand met het verbeteren van chemische en fysische bodemkwaliteit, die het op peil houden/brengen van de bodembiologie faciliteren.

Doel van het onderzoek/project:

Het doel van het project is het ontwikkelen van biologische indicatoren, op basis van microben en nematoden, die inzicht geven in de kwaliteit van het bodemleven en de ziektegevoeligheid van een perceel kunnen voorspellen. We krijgen inzicht in de variatie in het bodemleven op praktijkpercelen en hoe dit samenhangt met de fysisch/chemische bodemeigenschappen. Zie hiervoor ook het artikel van AgriHolland Nieuws over dit onderzoek.

Wat kan de teler ermee?:
Met de nieuwe meetmethodes krijgt een teler meer inzicht in de kwaliteit van het bodemleven op zijn percelen en kan deze ook monitoren over de jaren. Hierdoor kan het effect van teeltmaatregen en bijvoorbeeld grondbewerking op de bodembiologie worden onderzocht waardoor deze meer doelgericht kunnen worden toegepast.

Wie voert het onderzoek uit?:
HLB en Bioclear earth

Onderzoeksvraag:
Welke bodemleven-indicatoren kunnen we gebruiken om inzicht te krijgen in de bodemweerbaarheid van praktijkpercelen in de akkerbouw?

Looptijd:
3 jaar

Voortgang 2020:
Voor het seizoen van 2020 hebben we percelen bemonsterd in het Noordelijk pootgoedgebied, Friesland en Groningen. We hebben percelen geselecteerd waar aardappelen werden geteeld en waar als voorvrucht graan heeft gestaan. Daarnaast hebben we gevraagd naar percelen met een verhoogde schurft, rhizoctonia of aaltjes druk en ter vergelijking monsters genomen op een (deel van een) perceel zonder deze problemen. Hiermee willen we onderzoeken of we verschillen zien in het bodemleven tussen de verschillende (delen van) percelen.
In maart 2020 zijn de eerste monsters genomen en in juni, tijdens de knolzetting, zijn veel percelen opnieuw bemonsterd. De monsters zijn bouwvoordiep genomen en beslaan ongeveer 1 ha.
Van de monsters is de aaltjesgemeenschap en het microbiële bodemleven onderzocht. Daarnaast is een fysisch/chemische analyse gedaan. Van de ‘schurftpercelen’ is per bemonsteringsplek een steekproef van een aantal aardappelplanten genomen, waarvan de aardappelen zijn beoordeeld op schurftbesmetting.

Eerste resultaten:
Tot op heden is er nog maar weinig onderzocht over het bodemleven in praktijkpercelen, en in dit geval ook specifiek in het Noordelijk pootgoedgebied. Daarom gebruiken we dit eerste jaar van het onderzoek om een beeld te krijgen van de verschillen en overeenkomsten die we zien tussen de percelen.

Aaltjesonderzoek
Allereerst hebben we gekeken naar het totaal aantal aaltjes en de diversiteit van de aaltjes. In het algemeen kan je stellen dat de hoeveelheid aaltjes en de diversiteit een indicatie kan zijn voor een gezond bodemleven. Aaltjes moeten zich immers voeden met verschillende voedingsbronnen, waaronder schimmels en bacteriën, die daarom ook aanwezig moeten zijn in de bodem. Een bodem met heel weinig aaltjes duidt op een arme bodem waar weinig voedsel te vinden is en een bodem met weinig aaltjesdiversiteit duidt op een bodem waar het bodemleven uit balans is.
Het eerste wat opvalt is dat op vrijwel alle percelen meer aaltjes worden gevonden in maart dan in juni. Het tweede wat opvalt is dat het totaal aantal aaltjes afneemt naarmate de grond zwaarder wordt; dit is in lijn met resultaten uit eerder onderzoek. Er zijn echter ook duidelijk uitschieters naar boven of naar beneden te zien. Voor het diversiteitsonderzoek wordt gekeken naar de hoeveel verschillende aaltjesfamilies die in de bodem voorkomen en hoe de aantallen verdeeld zijn over deze verschillende families. De grondsoort van de bemonsterde percelen lijkt veel minder van invloed op de diversiteit van de aaltjesgemeenschap dan op het totaal aantal aaltjes. Ook hier zijn uitschieters geobserveerd. Roofaaltjes worden vaak genoemd als indicator van een gezonde bodem: deze aaltjes staan bovenaan het bodemvoedselweb en de aanwezigheid van deze aaltjes is daarom een aanwijzing dat de rest van het bodemleven ook op peil is. Het percentage roofaaltjes ten opzichte van het totaal aantal aaltjes in de bodem bleek behoorlijk te variëren tussen de percelen.
We onderzoeken verder of (een combinatie van) bovenstaande waardes die zijn af te leiden uit aaltjesgemeenschap analyses een indicatie kan geven voor gevoeligheid van percelen voor bodemziektes.

Op de foto's vlnr: Schurft, een voorbeeld van bacterieeter aaltje Anaplectus en een monsterboor in keigrond.

Partners en regio:

De partners: HLB BV, Bioclear earth, The Potato Valley en Mts Hoogterop in dit project zijn gevestigd in Groningen, Friesland en Drenthe en alle activiteiten zullen dan ook in deze drie provincies worden uitgevoerd.

Mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO)