Grondig onderzoek voor een weerbare bodem



Weerbare_bodem

Naam project:

Grondig onderzoek voor een weerbare bodem

Projectteam: (namen, functie en organisatie):

  • Anja Kombrink: Onderzoeker, HLB
  • Hilde Coolman: Onderzoeker, HLB
  • Eline Keuning: Consultant biotechnologie en innovatie, Bioclear earth
  • Andries Hoogterp: teler, Mts. Hoogterp
  • The Potato Valley

Doel van het onderzoek/project:

Het doel van het project is het ontwikkelen van biologische indicatoren, op basis van microben en nematoden, die inzicht geven in de kwaliteit van het bodemleven en de ziektegevoeligheid van een perceel kunnen voorspellen. We krijgen inzicht in de variatie in het bodemleven op praktijkpercelen en hoe dit samenhangt met de fysisch/chemische bodemeigenschappen.

Wat kan de teler ermee?:

Met de nieuwe meetmethodes krijgt een teler meer inzicht in de kwaliteit van het bodemleven op zijn percelen en kan deze ook monitoren over de jaren. Hierdoor kan het effect van teeltmaatregen en bijvoorbeeld grondbewerking op de bodembiologie worden onderzocht waardoor deze meer doelgericht kunnen worden toegepast.

Wie voert het onderzoek uit?:

HLB en Bioclear earth

Onderzoeksvraag:

Welke bodemleven-indicatoren kunnen we gebruiken om inzicht te krijgen in de bodemweerbaarheid van praktijkpercelen in de akkerbouw?

Looptijd:

3 jaar

Voortgang 2021:

De afgelopen twee seizoenen, 2020 en 2021, hebben we percelen bemonsterd in het Noordelijk pootgoedgebied, Friesland en Groningen. We hebben percelen geselecteerd waar aardappelen werden geteeld en waar als voorvrucht graan heeft gestaan. Daarnaast hebben we gevraagd naar percelen met een verhoogde schurft, rhizoctonia of aaltjes druk en ter vergelijking monsters genomen op een (deel van een) perceel zonder deze problemen. Hiermee willen we onderzoeken of er verschillen zijn in het bodemleven tussen de verschillende (delen van) percelen. Aanvullende informatie over de bemonsterde percelen die we meenemen in het onderzoek bestaat uit teeltmaatregelen als wel/geen groenbemester, stro afvoeren of hakselen, bemesting en grondbewerking.

Van de monsters is de aaltjesgemeenschap en het microbiële bodemleven onderzocht. Daarnaast is een fysisch/chemische analyse gedaan.

Eerste resultaten:

Aaltjesonderzoek

Allereerst hebben we gekeken naar het totaal aantal aaltjes en de diversiteit van de aaltjesgemeenschap. In het algemeen kan je stellen dat de hoeveelheid aaltjes en de diversiteit een indicatie kan zijn voor een gezond bodemleven. Aaltjes moeten zich immers voeden met verschillende voedingsbronnen, waaronder schimmels en bacteriën, die daarom ook aanwezig moeten zijn in de bodem. Een bodem met heel weinig aaltjes duidt op een arme bodem waar weinig voedsel te vinden is en een bodem met weinig aaltjesdiversiteit duidt op een bodem waar het bodemleven uit balans is.

In het onderzoek van 2020 en 2021 zagen we dat het totaal aantal aaltjes afneemt naarmate de grond zwaarder wordt; dit is in lijn met resultaten uit eerder onderzoek. Er zijn echter ook duidelijk uitschieters naar boven of naar beneden te zien. Voor het diversiteitsonderzoek wordt gekeken naar de hoeveel verschillende aaltjesfamilies die in de bodem voorkomen en hoe de aantallen verdeeld zijn over deze verschillende families. De grondsoort van de bemonsterde percelen lijkt veel minder van invloed op de diversiteit van de aaltjesgemeenschap dan op het totaal aantal aaltjes. Ook hier nemen we uitschieters waar, die duiden op percelen waarop het bodemleven het juist beter of slechter doet.

Met de verzamelde resultaten uit 2020 en 2021 kunnen we ook percelen vergelijken in verschillende categorieën. Een belangrijk uitgangspunt bij de selectie van de percelen was de kwalificatie van de ziektegevoeligheid door de teler. Wanneer we een verdeling maken tussen gevoelige percelen en weerbare percelen zien we in het aaltjesonderzoek echter geen significante verschillen. Een van de redenen is waarschijnlijk dat de beoordeling van een perceel door de teler subjectief is; uit onze evaluatie van schurftsymptomen blijkt bijvoorbeeld ook dat schurftgevoelige percelen en weerbare percelen niet verschillen. Daarnaast wordt in het algemeen steeds duidelijker hoe lastig het is om een waarde aan de weerbaarheid van een bodem te hangen.

We hebben veel meer informatie over de percelen verzameld die we kunnen gebruiken om te onderzoeken waar verschillen in bodembiologie vandaan komen. Zo hebben we gekeken naar verschillen tussen percelen waar wel of geen groenbemester is geteeld en tussen percelen waar stro is afgevoerd of stro is gehakseld. Hier zijn wel duidelijke verschillen zichtbaar in de aaltjesgemeenschap. Voor zowel het laten hakselen van stro als het telen van groenbemesters is een trend zichtbaar die duidt op een positief effect op de bodembiologie: meer aaltjes en meer diversiteit.

Microbiologisch onderzoek

In dit onderzoek kijken we ook naar de allerkleinste werkers in de bodem: de bacteriën. In 1 gram grond zitten duizenden verschillende soorten, en meer bacteriecellen dan er mensen op aarde zijn. Deze bacteriën zijn verantwoordelijk voor allerlei belangrijke bodemfuncties, denk aan het vastleggen van stikstof uit de lucht, het afbreken van organisch materiaal, het vrijmaken van fosfaat en het beschermen van planten tegen ziekteverwekkers. Om meer gebruik te kunnen maken van deze bodemdiensten, moeten we leren hoe we met bodembeheer de bacteriën kunnen aansturen en beïnvloeden. Ook is het belangrijk dat we meer leren over de biologische kenmerken (welke bacteriën, schimmels en aaltjes) van bodems die weerbaarder zijn tegen ziektes.

In dit onderzoek vergelijken we daarom bodems die gevoelig zijn voor bekende aardappelziektes met bodems die hier veel minder last van hebben of zelfs helemaal niet. Dit levert enorm veel data op en vereist daarom nieuwe technieken en aanpakken om tot praktisch toepasbare kennis te komen. Door te onderzoeken welke bacteriën samen voorkomen in gezonde bodems, leren we welke bacteriën een belangrijke rol spelen in de weerbaarheid tegen ziektes. Met als ultieme einddoel deze soorten stimuleren of toedienen in ziektegevoelige bodems.

Dankzij de monsters van het afgelopen jaar hebben we goede eerste aanwijzingen van bacteriën die meer voorkomen in de weerbare bodems. Een voorbeeld hiervan is de Lysobacter, deze bacterie is in staat om andere (ziekteverwekkende) bacteriën en schimmels te doden door antibiotica aan te maken. Van deze eigenschappen willen we in elke bodem natuurlijk graag gebruik maken. In de komende tijd gaan we verder onderzoeken welke soorten er nog meer van belang zijn en hoe we met bodembeheer ervoor kunnen zorgen dat we meer gebruik maken van deze onzichtbare boerenhulpen.

Plannen 2022:

Onderzoek in praktijkpercelen geeft een goed beeld van alle variatie in het bodemleven die voor kan komen. Dit is belangrijk om uiteindelijk iets te kunnen zeggen over streefwaardes: wanneer zit het goed met het bodemleven en wanneer zouden er maatregelen genomen moeten worden om dit te stimuleren. Tegelijkertijd maakt alle variatie de er bestaat in bodembeheer en teeltmaatregelen het ook lastig om conclusies te trekken. Wat daarbij helpt is het verzamelen van zoveel mogelijk data, daar gaan we ook volgend seizoen weer mee bezig!

Bekijk hier een filmpje over dit project

Op de foto's vlnr: Schurft, een voorbeeld van bacterieeter aaltje Anaplectus en een monsterboor in keigrond.

Partners en regio:

De partners: HLB BV, Bioclear earth, The Potato Valley en Mts Hoogterop in dit project zijn gevestigd in Groningen, Friesland en Drenthe en alle activiteiten zullen dan ook in deze drie provincies worden uitgevoerd.

Mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO)